Brabants Dagblad, 10 oktober 2005
Ben Ackermans
Hozen, graven en sjouwen in de modderprut
De omvang van de schade door overstromingen en lawines in Guatemala
groeit nog met de dag. De hulp is op gang gekomen. Ook Nederlanders
steken de handen uit de mouwen.
De rampspoed kwam toch nog onverwacht. Om vijf uur in de ochtend
was Julio Cesar Garca nog gaan kijken naar de rivier achter zijn
huis in het dorp Pastores. De normaal bedaarde stroom was weliswaar
veranderd in een kolkend bruin monster, maar een muur op de
oever zou wel bescherming bieden. Dat was niet zo: een half uur
later moesten Julio, zijn vrouw en dochter rennend het vege
lijf redden. Het rivierwater golfde hun huis binnen. Alles wat
ze hadden bleef achter in een anderhalve meter hoge laag modder.
"Wat zit er anders op dan helemaal opnieuw te beginnen?", zegt Garcia
(41), het gezicht getekend door de ellende.
Ongekend is de schade door de overstromingen en modderlawines die
Guatemala halverwege vorige week teisterden in de nasleep van de
orkaan Stan. De omvang van de tragedie groeit nog met de dag.
In het westen en zuidwesten van het Midden-Amerikaanse land waren
ook gisteren nog honderden dorpen afgesloten van de buitenwereld.
Vele honderden doden zijn al geteld. Gevreesd wordt dat er
nog veel meer begraven liggen onder modder en puin.
Vergeleken met dat deel van Guatemala is de toestand in Pastores te
overzien. Een laag donkerbruine smurrie, soms tot kniediepte,
bedekt de straten. Op een plek steken autodaken nog net boven de
modder uit. Maar doden zijn er niet te betreuren. Wel zijn zestig
gezinnen al hun bezittingen kwijt. De meeste hebben tijdelijk
onderdak gevonden bij buren of in een noodopvang. Op verschillende
plaatsen is een vaccinatiepost ingericht. Inwoners halen er een
tetanusprik. Artsen vrezen voor uitbraken van diarree en dengue.
Pastores heeft ook een geluk: het ligt dicht bij Antigua, de stad
die drijft op de aanwezigheid van buitenlandse toeristen en studenten
Spaans. Die laten zich niet onbetuigd. Ze gaan mee op de vrachtwagens
of pick-ups met water, voedsel, kleding en medicijnen naar de
getroffen dorpen in de omgeving. Of ze trekken er met schop,
hak of pikhouweel naar toe om te helpen bij het opruimen van de
rotzooi.
Zo staan er bij Julio Cesar Garcia op zaterdag twaalf Nederlandse
vrouwen te hozen, te graven en te sjouwen. Ze zijn allemaal actief
als vrijwilligster bij de stichting Los Niņos, geleid door Anne-Marie
Ackermans uit Tilburg en Carla Nolte uit Nuenen.
Garcia is de directeur van het educatieproject van de stichting
voor 280 kinderen in het naburige Alotenango. Dat schept een band.
"Heftig hoor, om dit mee te moeten maken", zegt Suzan Eleveld, de
timmervrouw binnen het project.
Jolanda Buets uit Elsendorp, Liselotte Kuyl uit Breda en
Willeke Brouwers uit Oudenbosch, die een opleiding verpleegkunde
genoten hebben, helpen mee in de noodopvang van Pastores.
Moeders met kinderen melden zich bij hen voor medische verzorging.
Maar het zijn er niet veel. "Een goed teken natuurlijk",
zegt Buets (35). "Maar je doet wat je kunt."
Liselotte Kuyl (28) is onder de indruk. "Zoiets ken ik alleen
van tv-beelden. Nu sta ik zelf met mijn voeten in het slijk. Daarnet
kwam een man me bedanken voor de hulp. Maar ik zit hier op een stoel
en schaam me de ogen uit mijn kop dat ik zo weinig voor die mensen
kan doen."
|
|